donderdag 8 november 2012

H3 'De Bespiegeling' - samenvatting


De middeleeuwse stad

Op het knooppunt van handelswegen groeien de steden. Stadbewoners waren middenstanders. Kloosters kwamen ook in de steden en dit zorgde voor een verbintenis tussen kerk en stad.
In de late middeleeuwen stond de kerk centraal. In steden met een bisschopszetel werden kathedralen gebouwd.

Troubadours aan het hof

Troubadours/Trouvères: benaming voor hoofse dichters in Frankrijk tussen het einde van de 11e eeuw en het begin van de 14e eeuw. Ze zijn letterlijk de makers van tekst en
melodie en trekken langs de hoven om hun gedichten en liederen ten gehore te brengen.
Minnesänger: benaming in Duitsland, ontstaan in de 12e en 13e eeuw voor zangers en muzikanten aan het hof die vooral de hoofse lieden bezingen - troubadours.
Hoofse liefde: benaming voor de cultus ontstaan in het Frankrijk van de late middeleeuwen waarin de vrouw wordt aanbeden en bezongen
Motet: Vocale compositie op vooral geestelijke tekst, vaak polyfoon of a-capella. 

Vaganten

Vaganten zijn straatartiesten in de middeleeuwen. Ze staan laag in aanzien en steden maken wetten om te voorkomen dat ze optreden op ongewenste plaatsen en tijden. Hun muziek is in tegenspraak met de strenge kerkelijke muziek. De kerkt noemt ze “minstrelen van de satan”. Ze improviseren veel en vertonen een mengvorm van muziek, theater en circusachtige acts. Van Maerlant was tegen het artiestenvolk.

Mirakelspelen

In de late middeleeuwen worden straatmuzikanten meer geaccepteerd en ze mogen gaan zingen in de kerk. Buiten de kerk worden theaterspelen opgevoerd in volkstaal.
Mirakelspel: Middeleeuws theatergenre verwant met het liturgisch drama. Menselijke drama’s krijgen een ontknoping door tussenkomst van Maria of andere heiligen.
Passiespel: spel, vooral in de late Middeleeuwen en vroege Renaissance, waarin het lijden van Christus het Hoofdthema is, voortzetting in de volkstaal van de Paas-liturgie.

Wagenspelen

Wagens waarop scènes te zien waren trokken door de steden. Het thema was afgeleid van de Gilde waarbij het hoorde.
Wagenspel: Middeleeuws, meestal kort toneelspel, aanvankelijk religieus, opgevoerd op een platte wagen.

Kloosters in de stad

Nieuwe kloosterorden (bedelorden) in de steden, vooral franciscanen en dominicanen. Hierin wordt zonder luxe geleefd. De franciscanen leven volgens Franciscus. Hij heeft al zijn geld opgegeven om volgens de Bijbel te leven. Stierf in 1226.
Bedelorde: religieuze orde waarvan de leden leven van giften van de burgerij in ruil voor diensten zoals het geven van onderwijs of het verzorgen van zieken: franciscanen, dominicanen, kapucijnen.

Christus als voorbeeld

Franciscus benadrukt de menselijke kant van het leven van Christus. Christus werd vanaf deze tijd niet meer als een zeer hoog persoon afgebeeld, maar als Mensenzoon. Ook ontstaan de afbeeldingen van de veertien kruiswegstaties. Thema’s als de geboorte en dood van Christus worden populair.
Franciscus gelooft dat het mogelijk is Christus’ voorbeeld te volgen door te lijden.

Eerste universiteiten

Vanuit de kloosters ontstaan de eerste universiteiten. Er wordt les gegeven in bestudering van de Bijbel en het interpreteren van klassieke bronnen.
Thomas van Aquino: Verbindt de Griekse denkbeelden van Aristoteles met theologische opvattingen.
In de late middeleeuwen maken fabeldieren, gedrochten en gefantaseerde duivels in de gotiek plaats voor mensfiguren en afbeeldingen van echt bestaande dieren en planten uit de natuur.

Giotto

Giotto: Eerste persoon die Bijbelse figuren weergeeft als mensen van vlees in bloed. Ook werkte hij met lijnperspectief.
Fresco: Muur of plafondschildering op een vers aangebrachte vochtige kalkondergrond met behulp van met water aangemaakte pigmenten.
Lijnperspectief: Wetmatige aanduiding van de ruimte, waarbij de regelmatige verkleining naar een verdwijnpunt op de horizon uitgangspunt is. Toegepast vanaf de Renaissance.

Piazza del Campo

De kerk is vaak het centrum van de stad in West-Europese steden. In Italië is dat het stadhuis.
Ondanks de toenemende bevolking in Siena in de late middeleeuwen blijft er ruimte over voor een plein: de Piazza del Campo. Aan de rechterkant staat het Palazzo Pubblico. Hierin zetelt het stadsbestuur (de Nove).
Hier is de macht niet in handen van een vorst of van de kerk, maar hebben de burgers het voor het zeggen.

Het goede bewind

De Nove geven Ambrogio Lorenzetti de opdracht twee fresco’s te maken met op het ene de gevolgen van goed en verstandig bestuur en op de andere die van slecht verstuur. Op het fresco ‘Het goede bewind’ is te zien waar goed bestuur toe leidt.

De bouw van een kathedraal

Notre-Dame (1211-1457) is een van de zuiverste voorbeelden van een gotische kathedraal.
Driedeling van de kerk. Een middenschip met twee zijbeuken in de westgevel. Gevel is geen massief muurvlak en er zijn veel openingen en vensters.
Roosvenster: Rond venster in west- of transeptportaal, vaak voorzien van gebrandschilderde ramen.

Bouwloges

Waren nog geen architecten bij de bouw van kathedralen. Bouwmeesters stelden bouwplannen op en wijzigden die constant. Nieuwe inzichten en technologieën werden meteen toegepast. Geen rommelige indruk.
Heen en weer reizen van bouwloges zorgde ervoor dat gotiek een internationale stijl wordt.
Het vestigen in steden van ambachtslieden en het verenigen met gilden of coöperaties zorgde ervoor dat de belangen van de bedrijfstak veilig gesteld werden.
Bouwloges: Organisatie van ambachtslieden, architecten en bestuurders bij de middeleeuwse kerkbouw.
Gewelven: Gebogen bovenste afsluiting van een ruimte: wordt meestal geconstrueerd uit stenen die zijdelings tegen elkaar steunen.
Luchtbogen: Constructie in de vorm van een boog of een halve boog met de bedoeling de druk van gewelven en kapconstructie naar buiten af te leiden.

Skeletbouw

Gotische bouw: Dragende muren zijn vervangen door een skelet van spitsbogen. Soms spitse torens. Luchtbogen die naar buiten steken. Pinakels die de boven afsluiten.
Spitsbogen: Boog gevormd door twee elkaar snijdende cirkelsegmenten met gelijke straal: kenmerk van de gotiek
Skeletbouw: Constructiewijze waarbij alle dragende functies op een geraamte worden overgedragen.
Pinakels: Versierd element uit de gotische architectuur in de vorm van een smalle, met een piramide bekroonde Schacht.

Abt Suger

Abt Suger: Gaf de aanzet tot gotische bouwstijl. Hij hoopte dat bezoekers de kerkelijke ruimte zouden ervaren als een plek ‘ergens tussen hemelse heerlijkheid en het slijk der aarde’. Abt van de Saint Denis. Kerk gebouwd boven het graf van de heilige Dionysius, een martelaar. Sugar verfraaide de kerk.
Martelaar: Iemand die geleden heeft omwille van het geloof. Ten tijde van de christenvervolgingen in het Romeinse Rijk was dit eretitel.

Kleurrijke vensters

Sugar gebruikte het uitgangspunt “God is licht”. Veel gouden vaatwerk, edelstenen en alles wat men in de schepping voor kostbaar houdt gebruiken bij de inrichting.
Grote, hoge, kleurrijke ramen waarbij veel licht naar binnen valt. Hiervoor zijn nieuwe constructies nodig waarvoor geen dragende romaanse muren nodig zijn.
Gebrandschilderde ramen: Kunstvorm waarbij voorstellingen worden samengesteld uit stukken gekleurd glas die met elkaar worden verbonden door loodlijsten. Het gekleurde glas wordt beschilderd met email.

Chartres

De kathedraal van Chartres geeft de uitgangspunten van Suger duidelijk weer.
Op het Incarnatievenster (ca. 1150) zijn 30 taferelen te zien over het leven van Christus.
Gotische bouwstijl: Roosvenster. In het noordportaal van Chartres is een tronende Maria het middelpunt in het venster. Maria met Christus op haar schoot staat symbool voor de kerk.
Annuciatie: Letterlijk: aankondiging. Boodschap van aartsengel Gabriel aan Maria dat zij de Heilige geest zal ontvangen en moeder zal worden van Christus.

Liturgisch drama

Koor is het belangrijkste deel van de kerk. Latijn blijft de hoofdtaal maar er wordt moeite gedaan om al het publiek bij de dienst te betrekken. Steeds meer spektakel en vormen van drama tijdens vieringen in de kerk. Kerk/Kathedraal wordt ingedeeld in een aantal locaties, ‘huizen’, met vaste plekken voor hemel en hel. Geen decorwisselingen, wel kostuums, decorstukken en rekwisieten.
Liturgisch drama: Uitbreiding van de liturgie met dialogen en andere theatrale middelen.
Trope: Toevoeging van een nieuwe tekst in een bestaande compositie, vaak toegepast in de gregoriaanse muziek tijdens de middeleeuwen.

Musica mundana

Muziek zorgt voor een goede sfeer in de kerk. Geen muziekinstrumenten, die werden alleen gebruikt door troubadours en bij dansmuziek. Stimulatie polyfonie.
Musica mundana: Hemelse muziek die een afspiegeling is van wetmatige verhoudingen en bewegingen in de kosmos of de schepping.
Musica humana: De muziek van de mens: met de menselijke stem voortgebracht.

Polyfonie

Polyfonie zorgt voor meer emotie. Notre-Dameschool legde de basis.
Paus Johannes XXII was tegen polyfonie. Vindt dat de wellust teveel bevorderd wordt.
Polyfonie: Letterlijk: meerstemmigheid. Meerstemmige compositietechniek waarbij elke stem zich zelfstandig voortbeweegt en dus een zelfstandige melodie vormt. De harmonie is ondergeschikt aan het verloop van de stemmen.
Kapelmeesters: Leider van een kapel, dirigent.
Contratenor: Letterlijk: stem tegenover (contra) de tenor, toegevoegd aan de tenor.
Cantus firmus: Een meestal bestaande, aan het à gregoriaans, ontleende hoofdmelodie die als uitgangspunt gebruikt wordt in de à polyfone compositietechniek.
Notre-Dameschool: Vroege meerstemmige vocale muziek, religieus, zoals die ontstaan is vanuit de koorschool van de Notre-Dame, Parijs, dertiende eeuw.

La messe de Nostre Dame

Een aan Maria opgedragen mis in vierstemmigheid. Katholieke eredienst wordt nog grotendeels bepaald door opeenvolging van gezangen die in de loop van de twaalfde eeuw een vaste vorm krijgt. Vaste onderdelen in de mis: het Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus en Agnus Dei. Complexe zangpartij van Agnus Dei sluit aan bij de architectuur van de kathedraal.
Guillaume de Machaut: 1300-1377. Componist van “La messe de Nostre Dame”. Lange tijd cantor in de Notre-Dame in Reims geweest.
Canter: In vroegchristelijke kerk het ambt van liturgische zanger, later leider van het koor en muziekdocent verbonden aan de kerk.

Trecento

In Italië wordt de Franse polyfonie ingezet voor niet-kerkelijke muziek.
Francesco Landini: Belangrijkste musicus van de Italiaanse Trecento-muziek. Heeft nooit kerkelijke muziek geschreven. Zijn muziek bestaat uit madrigalen en ballate.
Trecento: Algemene naam voor (kunstvormen uit de) veertiende eeuw in Italië. Meer specifiek: Italiaanse meerstemmige muziek uit de veertiende eeuw.
Madrigalen: Vocale compositie op wereldlijke tekst, meestal over de liefde, met  polyfone en  homofone passages. Geschreven in de landstaal, vooral Italiaans en Engels. Vaak  a capella gezongen.
Ballate: In de middeleeuwen een soort verhalend danslied met volksliedkarakter, met coupletten en refrein. Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw een lied op tekst van een literaire ballade, dat wil zeggen een gedicht met een verhalende inhoud. In de romantiek een instrumentale compositie in een vrije vorm, met het karakter van een verhalend gedicht.

dinsdag 6 november 2012

H2 'De Bespiegeling' - samenvatting


Conques

In de elfde en twaalfde eeuw was Europa erg verlaten.  Het land is onbekend en bijna onmogelijk te bewandelen. De pelgrimages van de kerk duurden hierdoor maanden en waren erg gevaarlijk. Elke keer werd dezelfde route gevolgd. De route komt langs Conques, waar het graf van apostel Jacobus de Oudste zich zou bevinden. De kerk in Conques is daarom speciaal ingericht voor het ontvangen van pelgrims. Boven de ingang van de kerk is een timpaan te zien. Er worden martelingen op afgebeeld aan de linker- en rechterzijde en in het midden zit Christus op zijn troon. Hij maakt met een groots gebaar een scheiding tussen de hemel en de hel. Links is alles en iedereen vredig, terwijl rechts het tegenovergestelde te zien is.

Plegrimages = bedevaart. Toch naar plaatsen waar heiligen worden vereerd of waar het goddelijke zich heeft getoond.
Timpaan = driehoekige ruimte ingesloten door de lijst van een fronton (gevel). Vaak voorzien van reliëfs.

Angst

Zodra je de kerk ingaat, kom je oog in oog te staan met het Laatste Oordeel; de Apocalyps. Voor het Laatste Oordeel vindt een vernietiging van de mensheid plaats. Alleen de ware gelovigen zullen hierna opstaan een het eeuwige leven krijgen. Er was in de vroegmiddeleeuwse cultuur angst voor de macht van God en zijn plannen en harde straffen (natuurrampen, zonsverduisteringen etc.).
De lagere adel bood bescherming tegen de gevaren van buiten de burcht (Noormannen, Hongaren, Saracenen etc.)door een eigen leger te organiseren. De ridders die hier deel van uitmaakten stonden model voor de latere ridderromans. Ook is de geest van de tijd te zien op de timpanen boven de kerken: ridders die vechten met de Apocalyps als slagveld en Christus als feodale heer.

Apocalyps = laatste Bijbelboek met het visioen van Johannes; Het Laatste Oordeel.

Ora et labora

Voor gelovigen is het belangrijk om God tevreden te stellen om hun eigen ondergang te voorkomen. Hiervoor zijn kerken en kloosters gebouwd. Waar de feodale heren zorgen voor verdediging en bestuur, loven monniken God met zang en gebed. Monniken moeten zorgen voor de hele mensheid, vooral voor mensen die het klooster met schenkingen steunen. De regels in de kloosters hebben als kern ‘ora et labora’: bid en werk. Bidden nam zeven uur per dag in, de rest van de tijd wordt er geslapen in het dormitorium of gewerkt in het scriptorium. In het scriptorium worden teksten gekopieerd. De handschriften werden vaak voorzien van miniaturen.

Dormitorium = slaapzaal in een klooster.
Scriptorium = schrijfkamer, ruimte waar boeken worden gekopieerd in het klooster.
Miniatuur = oorspronkelijke schildering met omtreklijnen aangegeven in rode verfstof. Illustratie in handschriften.

Gregoriaans

Er zijn gebedsdiensten op vaste tijden: de getijden. Elke week worden alle 150 psalmen gezongen, samen met andere gezangen en gebeden, in het Latijn. Oorspronkelijk gebruikte iedere strijk zijn eigen melodieën, maar Paul Gregorius de Grote heeft hierin volgens oude bronnen ordening aangebracht. Dit bleek later niet waar te zijn, maar toch worden de gezongen psalmen nog steeds gregoriaans genoemd. Het gregoriaans houdt een eenstemmige vocale aan. Dat is één melodielijn in een niet maatgebonden ritme. De zang is bestemd voor de liturgie. Het werd gezongen om ervoor te zorgen dat de tekst niet gedachteloos wordt afgeraffeld.

Getijden = officiële gebeden van de katholieke kerk die op vaste tijden de dag vullen.
Psalm = lied opgenomen in het Oude Testament.
Polyfonie = meerstemmigheid in een lied.
Gregoriaans = eenstemmigheid in een lied zoals gebruikt door Christelijke kloosters.
Liturgie = geheel aan voorschriften en ceremonieën voor de inrichting van de eredienst; de gebeden en zangen van de dienst.

De orde van Cluny

Door schenkingen en legaten hadden de kloosters erg veel bezittingen en kapitaal. Vooral de kloosters van de cluniacenzers stonden bekend om hun rijkdom. Ze gaven geld uit aan gewaden, reliekhouders, wierookvaten en het verfraaien van kerken en kloosters. Ook zijn ze verantwoordelijk voor de bouw van honderden kloosters. De kloosters staan naast het goud- en zilverwerk ook vol met beeldhouwwerken die vaak scènes uit de bijbel uitbeelden. In de narthex is een groot gebeeldhouwd portaal opgenomen. Christus wordt hier omgeven door de vier evangelisten.

Cluniacenzers = kloosterorde gesticht in Cluny met een rijke leefwijze.
Narthex = portaal of voorhal van een kerk.
Evangelisten = schrijvers van de vier evangeliën; Marcus, Lucas, Mattheus en Johannes (laatste twee zijn oog apostelen).

Bernardus van Clairvaux

De uitstraling van de versierde kerken van de cluniacenzers staan in contrast met de armoede van de bevolking. Bernardus van Clairvaux valt de versieringen van de kerken aan in zijn geschriften. De kerken van zijn orde, de cisterciënzers, hebben geen dure relieken of overdadig beeldhouwwerk. Bernardus stelde voor de liturgie nieuwe regels op, waarin hier geen plaats meer voor was. De zang die bij de missen wordt gebruikt moet plechtig zijn en kloosters moeten bij voorkeur in eenzame gebieden worden gesticht. Een goed voorbeeld van zo’n klooster is het kloostercomplex bij Fontenay.

Cisterciënzers = kloosterorde gesticht eind elfde eeuw in Citeaux met een sobere leefwijze.