De middeleeuwse stad
Op het
knooppunt van handelswegen groeien de steden. Stadbewoners waren
middenstanders. Kloosters kwamen ook in de steden en dit zorgde voor een
verbintenis tussen kerk en stad.
In de late
middeleeuwen stond de kerk centraal. In steden met een bisschopszetel werden kathedralen
gebouwd.
Troubadours aan het hof
Troubadours/Trouvères:
benaming voor hoofse dichters in Frankrijk tussen
het einde van de 11e eeuw en het begin van de 14e eeuw. Ze zijn letterlijk de
makers van tekst en
melodie en trekken langs de hoven om hun gedichten en liederen ten gehore te brengen.
melodie en trekken langs de hoven om hun gedichten en liederen ten gehore te brengen.
Minnesänger: benaming in
Duitsland, ontstaan in de 12e en 13e eeuw voor zangers en muzikanten aan het
hof die vooral de hoofse lieden bezingen - troubadours.
Hoofse liefde:
benaming voor de cultus ontstaan in het Frankrijk van de late middeleeuwen
waarin de vrouw wordt aanbeden en bezongen
Motet: Vocale compositie op vooral geestelijke
tekst, vaak polyfoon of a-capella.
Vaganten
Vaganten zijn
straatartiesten in de middeleeuwen. Ze staan laag in aanzien en steden maken
wetten om te voorkomen dat ze optreden op ongewenste plaatsen en tijden. Hun
muziek is in tegenspraak met de strenge kerkelijke muziek. De kerkt noemt ze “minstrelen
van de satan”. Ze improviseren veel en vertonen een mengvorm van muziek,
theater en circusachtige acts. Van Maerlant was tegen het artiestenvolk.
Mirakelspelen
In de late
middeleeuwen worden straatmuzikanten meer geaccepteerd en ze mogen gaan zingen
in de kerk. Buiten de kerk worden theaterspelen opgevoerd in volkstaal.
Mirakelspel: Middeleeuws theatergenre verwant met het liturgisch drama.
Menselijke drama’s krijgen een ontknoping door tussenkomst van Maria of andere
heiligen.
Passiespel: spel, vooral in de late Middeleeuwen en vroege Renaissance, waarin het lijden van Christus het Hoofdthema is, voortzetting in de volkstaal van de Paas-liturgie.
Passiespel: spel, vooral in de late Middeleeuwen en vroege Renaissance, waarin het lijden van Christus het Hoofdthema is, voortzetting in de volkstaal van de Paas-liturgie.
Wagenspelen
Wagens waarop scènes te zien waren trokken door de steden.
Het thema was afgeleid van de Gilde waarbij het hoorde.
Wagenspel: Middeleeuws,
meestal kort toneelspel, aanvankelijk religieus, opgevoerd op een platte wagen.
Kloosters in de
stad
Nieuwe kloosterorden (bedelorden) in de steden, vooral
franciscanen en dominicanen. Hierin wordt zonder luxe geleefd. De franciscanen
leven volgens Franciscus. Hij heeft al zijn geld opgegeven om volgens de Bijbel
te leven. Stierf in 1226.
Bedelorde: religieuze orde waarvan de leden leven van
giften van de burgerij in ruil voor diensten zoals het geven van onderwijs of
het verzorgen van zieken: franciscanen, dominicanen, kapucijnen.
Christus als voorbeeld
Franciscus
benadrukt de menselijke kant van het leven van Christus. Christus werd vanaf
deze tijd niet meer als een zeer hoog persoon afgebeeld, maar als Mensenzoon.
Ook ontstaan de afbeeldingen van de veertien kruiswegstaties. Thema’s als de
geboorte en dood van Christus worden populair.
Franciscus
gelooft dat het mogelijk is Christus’ voorbeeld te volgen door te lijden.
Eerste universiteiten
Vanuit de
kloosters ontstaan de eerste universiteiten. Er wordt les gegeven in
bestudering van de Bijbel en het interpreteren van klassieke bronnen.
Thomas van
Aquino: Verbindt de Griekse denkbeelden van Aristoteles met theologische
opvattingen.
In de late
middeleeuwen maken fabeldieren, gedrochten en gefantaseerde duivels in de
gotiek plaats voor mensfiguren en afbeeldingen van echt bestaande dieren en
planten uit de natuur.
Giotto
Giotto: Eerste
persoon die Bijbelse figuren weergeeft als mensen van vlees in bloed. Ook
werkte hij met lijnperspectief.
Fresco: Muur of plafondschildering op een vers
aangebrachte vochtige kalkondergrond met behulp van met water aangemaakte pigmenten.
Lijnperspectief: Wetmatige
aanduiding van de ruimte, waarbij de regelmatige verkleining naar een
verdwijnpunt op de horizon uitgangspunt is. Toegepast vanaf de Renaissance.
Piazza del Campo
De kerk is vaak het centrum van de stad in West-Europese steden.
In Italië is dat het stadhuis.
Ondanks de toenemende bevolking in Siena in de late
middeleeuwen blijft er ruimte over voor een plein: de Piazza del Campo. Aan de
rechterkant staat het Palazzo Pubblico. Hierin zetelt het stadsbestuur (de
Nove).
Hier is de macht niet in handen van een vorst of van de kerk,
maar hebben de burgers het voor het zeggen.
Het goede bewind
De Nove geven Ambrogio Lorenzetti de opdracht twee
fresco’s te maken met op het ene de gevolgen van goed en verstandig bestuur en
op de andere die van slecht verstuur. Op het fresco ‘Het goede bewind’ is te
zien waar goed bestuur toe leidt.
De bouw van een
kathedraal
Notre-Dame (1211-1457) is een van de zuiverste voorbeelden
van een gotische kathedraal.
Driedeling van de kerk. Een middenschip met twee zijbeuken in
de westgevel. Gevel is geen massief muurvlak en er zijn veel openingen en
vensters.
Roosvenster: Rond venster in west- of transeptportaal,
vaak voorzien van gebrandschilderde ramen.
Bouwloges
Waren nog geen architecten bij de bouw van kathedralen.
Bouwmeesters stelden bouwplannen op en wijzigden die constant. Nieuwe inzichten
en technologieën werden meteen toegepast. Geen rommelige indruk.
Heen en weer reizen van bouwloges zorgde ervoor dat gotiek
een internationale stijl wordt.
Het vestigen in steden van ambachtslieden en het verenigen
met gilden of coöperaties zorgde ervoor dat de belangen van de bedrijfstak
veilig gesteld werden.
Bouwloges: Organisatie van
ambachtslieden, architecten en bestuurders bij de middeleeuwse kerkbouw.
Gewelven: Gebogen bovenste
afsluiting van een ruimte: wordt meestal geconstrueerd uit stenen die
zijdelings tegen elkaar steunen.
Luchtbogen: Constructie in
de vorm van een boog of een halve boog met de bedoeling de druk van gewelven en
kapconstructie naar buiten af te leiden.
Skeletbouw
Gotische bouw: Dragende muren zijn vervangen door een skelet
van spitsbogen. Soms spitse torens. Luchtbogen die naar buiten steken. Pinakels
die de boven afsluiten.
Spitsbogen: Boog
gevormd door twee elkaar snijdende cirkelsegmenten met gelijke straal: kenmerk
van de gotiek
Skeletbouw: Constructiewijze
waarbij alle dragende functies op een geraamte worden overgedragen.
Pinakels: Versierd element
uit de gotische architectuur in de vorm van een smalle, met een piramide
bekroonde Schacht.
Abt Suger
Abt Suger: Gaf de aanzet tot gotische bouwstijl. Hij hoopte
dat bezoekers de kerkelijke ruimte zouden ervaren als een plek ‘ergens tussen
hemelse heerlijkheid en het slijk der aarde’. Abt van de Saint Denis. Kerk gebouwd
boven het graf van de heilige Dionysius, een martelaar. Sugar verfraaide de
kerk.
Martelaar: Iemand die
geleden heeft omwille van het geloof. Ten tijde van de christenvervolgingen in
het Romeinse Rijk was dit eretitel.
Kleurrijke
vensters
Sugar gebruikte het uitgangspunt “God is licht”. Veel gouden
vaatwerk, edelstenen en alles wat men in de schepping voor kostbaar houdt
gebruiken bij de inrichting.
Grote, hoge, kleurrijke ramen waarbij veel licht naar binnen
valt. Hiervoor zijn nieuwe constructies nodig waarvoor geen dragende romaanse
muren nodig zijn.
Gebrandschilderde ramen:
Kunstvorm waarbij voorstellingen worden samengesteld uit stukken gekleurd glas
die met elkaar worden verbonden door loodlijsten. Het gekleurde glas wordt
beschilderd met email.
Chartres
De kathedraal van Chartres geeft de uitgangspunten van Suger
duidelijk weer.
Op het Incarnatievenster (ca. 1150) zijn 30 taferelen te zien
over het leven van Christus.
Gotische bouwstijl: Roosvenster. In het noordportaal van
Chartres is een tronende Maria het middelpunt in het venster. Maria met
Christus op haar schoot staat symbool voor de kerk.
Annuciatie: Letterlijk:
aankondiging. Boodschap van aartsengel Gabriel aan Maria dat zij de Heilige
geest zal ontvangen en moeder zal worden van Christus.
Liturgisch drama
Koor is het belangrijkste deel van de kerk. Latijn blijft de
hoofdtaal maar er wordt moeite gedaan om al het publiek bij de dienst te
betrekken. Steeds meer spektakel en vormen van drama tijdens vieringen in de
kerk. Kerk/Kathedraal wordt ingedeeld in een aantal locaties, ‘huizen’, met
vaste plekken voor hemel en hel. Geen decorwisselingen, wel kostuums,
decorstukken en rekwisieten.
Liturgisch drama:
Uitbreiding van de liturgie met dialogen en andere theatrale middelen.
Trope:
Toevoeging van een nieuwe tekst in een bestaande compositie, vaak toegepast in
de gregoriaanse muziek tijdens de middeleeuwen.
Musica mundana
Muziek zorgt voor een goede sfeer in de kerk. Geen
muziekinstrumenten, die werden alleen gebruikt door troubadours en bij
dansmuziek. Stimulatie polyfonie.
Musica mundana: Hemelse
muziek die een afspiegeling is van wetmatige verhoudingen en bewegingen in de
kosmos of de schepping.
Musica humana: De
muziek van de mens: met de menselijke stem voortgebracht.
Polyfonie
Polyfonie zorgt voor meer emotie. Notre-Dameschool legde de
basis.
Paus Johannes XXII was tegen polyfonie. Vindt dat de wellust
teveel bevorderd wordt.
Polyfonie: Letterlijk:
meerstemmigheid. Meerstemmige compositietechniek waarbij elke stem zich zelfstandig
voortbeweegt en dus een zelfstandige melodie vormt. De harmonie is
ondergeschikt aan het verloop van de stemmen.
Kapelmeesters: Leider
van een kapel, dirigent.
Contratenor: Letterlijk:
stem tegenover (contra) de tenor, toegevoegd aan de tenor.
Cantus firmus: Een
meestal bestaande, aan het à gregoriaans, ontleende hoofdmelodie die als uitgangspunt
gebruikt wordt in de à polyfone compositietechniek.
Notre-Dameschool: Vroege
meerstemmige vocale muziek, religieus, zoals die ontstaan is vanuit de koorschool
van de Notre-Dame, Parijs, dertiende eeuw.
La messe de
Nostre Dame
Een aan Maria opgedragen mis in vierstemmigheid. Katholieke
eredienst wordt nog grotendeels bepaald door opeenvolging van gezangen die in
de loop van de twaalfde eeuw een vaste vorm krijgt. Vaste onderdelen in de mis:
het Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus en Agnus Dei. Complexe zangpartij van Agnus
Dei sluit aan bij de architectuur van de kathedraal.
Guillaume de Machaut:
1300-1377. Componist van “La messe de Nostre Dame”. Lange tijd cantor in de
Notre-Dame in Reims geweest.
Canter: In
vroegchristelijke kerk het ambt van liturgische zanger, later leider van het
koor en muziekdocent verbonden aan de kerk.
Trecento
In Italië wordt de Franse polyfonie ingezet voor
niet-kerkelijke muziek.
Francesco Landini:
Belangrijkste musicus van de Italiaanse Trecento-muziek. Heeft nooit kerkelijke
muziek geschreven. Zijn muziek bestaat uit madrigalen en ballate.
Trecento: Algemene naam
voor (kunstvormen uit de) veertiende eeuw in Italië. Meer specifiek: Italiaanse
meerstemmige muziek uit de veertiende eeuw.
Madrigalen: Vocale
compositie op wereldlijke tekst, meestal over de liefde, met polyfone en
homofone passages. Geschreven in de landstaal, vooral Italiaans en
Engels. Vaak a capella gezongen.
Ballate: In de middeleeuwen een soort verhalend danslied met volksliedkarakter, met coupletten en refrein. Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw een lied op tekst van een literaire ballade, dat wil zeggen een gedicht met een verhalende inhoud. In de romantiek een instrumentale compositie in een vrije vorm, met het karakter van een verhalend gedicht.
Ballate: In de middeleeuwen een soort verhalend danslied met volksliedkarakter, met coupletten en refrein. Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw een lied op tekst van een literaire ballade, dat wil zeggen een gedicht met een verhalende inhoud. In de romantiek een instrumentale compositie in een vrije vorm, met het karakter van een verhalend gedicht.