dinsdag 6 november 2012

H2 'De Bespiegeling' - samenvatting


Conques

In de elfde en twaalfde eeuw was Europa erg verlaten.  Het land is onbekend en bijna onmogelijk te bewandelen. De pelgrimages van de kerk duurden hierdoor maanden en waren erg gevaarlijk. Elke keer werd dezelfde route gevolgd. De route komt langs Conques, waar het graf van apostel Jacobus de Oudste zich zou bevinden. De kerk in Conques is daarom speciaal ingericht voor het ontvangen van pelgrims. Boven de ingang van de kerk is een timpaan te zien. Er worden martelingen op afgebeeld aan de linker- en rechterzijde en in het midden zit Christus op zijn troon. Hij maakt met een groots gebaar een scheiding tussen de hemel en de hel. Links is alles en iedereen vredig, terwijl rechts het tegenovergestelde te zien is.

Plegrimages = bedevaart. Toch naar plaatsen waar heiligen worden vereerd of waar het goddelijke zich heeft getoond.
Timpaan = driehoekige ruimte ingesloten door de lijst van een fronton (gevel). Vaak voorzien van reliëfs.

Angst

Zodra je de kerk ingaat, kom je oog in oog te staan met het Laatste Oordeel; de Apocalyps. Voor het Laatste Oordeel vindt een vernietiging van de mensheid plaats. Alleen de ware gelovigen zullen hierna opstaan een het eeuwige leven krijgen. Er was in de vroegmiddeleeuwse cultuur angst voor de macht van God en zijn plannen en harde straffen (natuurrampen, zonsverduisteringen etc.).
De lagere adel bood bescherming tegen de gevaren van buiten de burcht (Noormannen, Hongaren, Saracenen etc.)door een eigen leger te organiseren. De ridders die hier deel van uitmaakten stonden model voor de latere ridderromans. Ook is de geest van de tijd te zien op de timpanen boven de kerken: ridders die vechten met de Apocalyps als slagveld en Christus als feodale heer.

Apocalyps = laatste Bijbelboek met het visioen van Johannes; Het Laatste Oordeel.

Ora et labora

Voor gelovigen is het belangrijk om God tevreden te stellen om hun eigen ondergang te voorkomen. Hiervoor zijn kerken en kloosters gebouwd. Waar de feodale heren zorgen voor verdediging en bestuur, loven monniken God met zang en gebed. Monniken moeten zorgen voor de hele mensheid, vooral voor mensen die het klooster met schenkingen steunen. De regels in de kloosters hebben als kern ‘ora et labora’: bid en werk. Bidden nam zeven uur per dag in, de rest van de tijd wordt er geslapen in het dormitorium of gewerkt in het scriptorium. In het scriptorium worden teksten gekopieerd. De handschriften werden vaak voorzien van miniaturen.

Dormitorium = slaapzaal in een klooster.
Scriptorium = schrijfkamer, ruimte waar boeken worden gekopieerd in het klooster.
Miniatuur = oorspronkelijke schildering met omtreklijnen aangegeven in rode verfstof. Illustratie in handschriften.

Gregoriaans

Er zijn gebedsdiensten op vaste tijden: de getijden. Elke week worden alle 150 psalmen gezongen, samen met andere gezangen en gebeden, in het Latijn. Oorspronkelijk gebruikte iedere strijk zijn eigen melodieën, maar Paul Gregorius de Grote heeft hierin volgens oude bronnen ordening aangebracht. Dit bleek later niet waar te zijn, maar toch worden de gezongen psalmen nog steeds gregoriaans genoemd. Het gregoriaans houdt een eenstemmige vocale aan. Dat is één melodielijn in een niet maatgebonden ritme. De zang is bestemd voor de liturgie. Het werd gezongen om ervoor te zorgen dat de tekst niet gedachteloos wordt afgeraffeld.

Getijden = officiële gebeden van de katholieke kerk die op vaste tijden de dag vullen.
Psalm = lied opgenomen in het Oude Testament.
Polyfonie = meerstemmigheid in een lied.
Gregoriaans = eenstemmigheid in een lied zoals gebruikt door Christelijke kloosters.
Liturgie = geheel aan voorschriften en ceremonieën voor de inrichting van de eredienst; de gebeden en zangen van de dienst.

De orde van Cluny

Door schenkingen en legaten hadden de kloosters erg veel bezittingen en kapitaal. Vooral de kloosters van de cluniacenzers stonden bekend om hun rijkdom. Ze gaven geld uit aan gewaden, reliekhouders, wierookvaten en het verfraaien van kerken en kloosters. Ook zijn ze verantwoordelijk voor de bouw van honderden kloosters. De kloosters staan naast het goud- en zilverwerk ook vol met beeldhouwwerken die vaak scènes uit de bijbel uitbeelden. In de narthex is een groot gebeeldhouwd portaal opgenomen. Christus wordt hier omgeven door de vier evangelisten.

Cluniacenzers = kloosterorde gesticht in Cluny met een rijke leefwijze.
Narthex = portaal of voorhal van een kerk.
Evangelisten = schrijvers van de vier evangeliën; Marcus, Lucas, Mattheus en Johannes (laatste twee zijn oog apostelen).

Bernardus van Clairvaux

De uitstraling van de versierde kerken van de cluniacenzers staan in contrast met de armoede van de bevolking. Bernardus van Clairvaux valt de versieringen van de kerken aan in zijn geschriften. De kerken van zijn orde, de cisterciënzers, hebben geen dure relieken of overdadig beeldhouwwerk. Bernardus stelde voor de liturgie nieuwe regels op, waarin hier geen plaats meer voor was. De zang die bij de missen wordt gebruikt moet plechtig zijn en kloosters moeten bij voorkeur in eenzame gebieden worden gesticht. Een goed voorbeeld van zo’n klooster is het kloostercomplex bij Fontenay.

Cisterciënzers = kloosterorde gesticht eind elfde eeuw in Citeaux met een sobere leefwijze.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten